Leskisten wereldgodsdiensten

‘Leskisten wereldgodsdiensten’: voor iedere wereldgodsdienst (Jodendom, Islam, Christendom, Hindoeïsme en Boeddhisme) is er een leskist. Deze is gevuld met voorwerpen en boeken. Tevens zit er een map in de leskist met foto’s en uitleg van de voorwerpen. Door middel van deze leskisten kunnen leerlingen kennis maken met de belangrijkste gebruiken, verhalen en feesten van de betreffende ‘geestelijke stroming’. De prijs voor het huren van een leskist bedraagt 25 euro per week, exclusief verzendkosten.

 

Meer informatie:

Voor leerlingen

Voor docenten


Jodendom

De inhoud van de leskist

Ontstaan

De geschiedenis van het joodse volk begint bij Abraham. Volgens het verhaal in de bijbel werd hij door God geroepen om weg te trekken uit zijn land. Samen met zijn vrouw Sara ging hij op pad. Na enige omzwervingen gingen zij wonen in het land dat we nu Israël noemen. Ze kregen twee zonen, Ismaël en Isaak. Ook Isaak krijgt met zijn vrouw Rebekka twee zonen: Esau en Jakob. De verhalen over Abraham, Isaak en Jakob, ook wel aartsvaders genoemd, zijn heel belangrijk voor het joodse volk. Zij noemen hun God ook wel: ‘de God van Abraham, Isaak en Jakob’.

Een ander belangrijk verhaal gaat over Mozes, die het joodse volk heeft geleid toen ze vluchtten uit Egypte. Door een grote hongersnood was het joodse volk in Egypte terecht gekomen, waar ze als slaven moesten werken. Mozes kreeg van God de opdracht om het volk te bevrijden uit de slavernij en hen terug te brengen naar het beloofde land Israël. Onderweg in de woestijn maken God en het volk een belangrijke afspraak met elkaar: ze sluiten een verbond en ontvangen de tien geboden.

Geschiedenis

De geschiedenis van het joodse volk kent nog meer verhalen verdreven worden uit hun land. Zo werd het land Israël bijvoorbeeld veroverd door de Babyloniërs en werd de Jeruzalem verwoest door de Romeinen. Door al deze veroveringen verspreidde het joodse volk zich over delen van Azië, Afrika en Europa. Tragisch dieptepunt is de vervolging door de Nazi’s in de jaren 30 en 40 van de vorig eeuw. Toen zijn er miljoenen joden omgekomen in vernietigingskampen. Momenteel leven er op de hele wereld ongeveer 13 miljoen joden. Daarvan wonen er 5,1 miljoen in Israël en 5,3 miljoen in de Verenigde Staten. In Nederland wonen er ongeveer 35.000.

Geloof

De joden geloven dat er één God is. Hun belangrijkste gebed, het ‘Sjemá’, begint met de woorden “Hoor Israël, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is één!” God heeft wel een naam, maar die mag niet uitgesproken worden. Daarom noemen ze Hem bijvoorbeeld ‘De Eeuwige’. Maar soms ook ‘De Heilige’ of ‘De Naam’. Ook mogen er geen afbeeldingen van God gemaakt worden.

Voor de joden is God de schepper van hemel en aarde. Hij heeft het volk geholpen te ontsnappen uit de slavernij in Egypte (daarover gaat de film ‘De prins van Egypte’). Mozes werd toen de leider van de joden. Onderweg in de woestijn sloten God en het joodse volk een Verbond. Dat is een belangrijke afspraak. God belooft daarin voor zijn volk zorgen; als een goede vader zal Hij voor ze zijn. De joden beloven zich aan de opdracht van God (de thora) te houden. Het is de opdracht om de wereld heilig en goed te maken. 

Samenkomst

In Jeruzalem was een mooie tempel gebouwd, om God te vereren. Maar in het jaar 70 werd die tempel door de Romeinen afgebroken. Nu is er enkel nog een zijmuur van het fundament te zien. Die ‘Klaagmuur’ is voor veel gelovige joden een heilige muur, waar ze naar toe gaan om te bidden. Sinds de tempel is afgebroken komen de joden bij elkaar in hun synagogen. De leermeesters, de Rabbijnen, helpen hun zich aan het verbond met God te houden.

Op de zevende dag van de week, de sjabbat, gaan veel joden naar de synagoge. Er wordt voorgelezen uit het heilige boek, de tenach. Er wordt gezongen en gebeden. Maar de sjabbat begint thuis, de avond ervoor, op vrijdagavond. Het huis is opgeruimd en het eten voor de sjabbat is al klaargemaakt, zodat dat op sjabbat niet meer hoeft. Want de sjabbat is een rustdag. Een dag waarop je niet werkt, maar tijd en aandacht hebt voor je gezin en voor God.

Dood

Als iemand is doodgegaan, wordt hij gewassen en in een eenvoudige houten kist gelegd. Men kijkt niet meer naar de dode, maar blijft wel bij hem waken. Zo snel mogelijk wordt hij begraven. Cremeren doen ze liever niet, vanwege het geloof dat de doden eens op zullen staan.

Na de begrafenis mag de familie getroost worden. Niet alleen met woorden, maar ook met eten (meestal brood en ei). In de rouwperiode, die een maand duurt, zegt men dagelijks het kaddiesj-gebed. Dat wordt wel eens het ‘gebed voor de doden’ genoemd, maar het is een gebed om God te eren. Je moet je geen zorgen maken over wat er na de dood komt, vinden de joden. Daar zal God wel voor zorgen. Op de eenvoudige grafsteen staat vaak de afkorting TNTsBH. Dat betekent: 'Moge zijn ziel gebonden zijn in de bundel des levens'. Meestal legt men geen bloemen op het graf, maar steentjes.

Rituelen, symbolen en gebruiken

Als meisjes twaalf en jongens dertien jaar zijn, kunnen ze bat (dochter) of bar (zoon) mitswa (de leefregels / voorschriften) worden. Eerst krijgen ze een jaar lang les, tot ze genoeg weten om de regels van het joodse volk op zich te nemen. Ook leren ze Hebreeuws. Op de dag van hun ‘bar mitswa’ of ‘bat mitswa’ is er een plechtige viering. Ze lezen dan hardop voor uit de tenach, het heilige boek van de joden. Het eerste deel, waaruit ze dan lezen, heet de thora (de opdracht). En dan wordt er feest gevierd, want ze zijn nu volwassen voor het joodse geloof.

Niet alle joden geloven in God. Toch horen ze bij het joodse volk. Het is helemaal niet zo belangrijk wat je gelooft, vinden veel joden. Het is veel belangrijker wat je doét! Toen God een verbond sloot met het joodse volk, ging Mozes, hun leider, de berg Sinaï op. Daar kreeg hij van God de thora. De tien geboden zijn het meest bekend, maar het gaat in totaal om wel 613 opdrachten en regels! Zo’n opdracht heet een ‘mitswa’. Veel opdrachten gaan over de manier waarop je met elkaar moet omgaan. Veel andere zijn godsdienstige regels. Een paar voorbeelden:

  • Je moet evenveel van je naaste houden als van jezelf.

  • Je mag geen andere goden dienen of erin geloven.

  • Je moet ouderen met respect behandelen.

  • Je mag niet werken op sjabbat.

  • Je mag geen roddels over anderen vertellen.

  • Op het joodse Paasfeest, Pesach, moet je matzes (ongezuurde broden) eten.

Het gaat erom dat de joden door hun manier van leven deze wereld heiliger en beter maken. Iedere jood moet er goed over nadenken en erover praten hoe hij dat het beste kan doen. De opdrachten en regels zijn richtlijnen daarbij.

Een mezoeza is een klein versierd kokertje dat aan de deurpost van een joods huis wordt bevestigd. In het kokertje zit een stukje perkament met een tekst uit de thora. Iedere keer als je naar binnen of naar buiten gaat, word je herinnerd aan het verbond van de joden met God.

Feesten

In de herfst worden er kort achter elkaar een paar grote feesten gevierd. Het begint met het joods Nieuwjaar: Rosj Hasjana. In de synagoge wordt op de ramshoorn geblazen om de gelovigen op te roepen na te denken over hun daden in het afgelopen jaar. Thuis een men appeltjes met honing als teken van een goed en zoet nieuw jaar. Dan volgt de grote verzoendag, Jom Kippoer. Een dag lang wordt er gevast, dus niet gegeten en niet gedronken. De joden doen boete en bidden om vergeving.

Vijf dagen later is het Soekot (loofhuttenfeest). Men dankt God voor de oogst van het afgelopen jaar. Er wordt een hutje gebouwd, om een week lang in te eten en te spelen, en – in warme landen – te slapen. De joden denken zo terug aan de tijd dat het volk door de woestijn trok en ze goed voelden dat ze afhankelijk waren van Gods bescherming.

In december vieren de joden Chanoeka, het lichtjesfeest. Elke dag wordt er een lichtje meer aangestoken tot alle acht lichtjes van de kandelaar branden. De kinderen krijgen cadeautjes of chocolademuntjes, en ze eten oliebollen. Ook het spelletje met de dreidel, een tol, hoort bij dit feest.

In maart wordt Poerim gevierd, dat een beetje op ons carnaval lijkt. Het verhaal over Esther wordt voorgelezen, een joods meisje dat koningin werd in Perzië. De eerste minister, Haman, wilde alle joden laten doden. Door haar moedig optreden heeft Esther haar volk gered.

Een maand later is het Pesach, het joods paasfeest. Dit feest herinnert aan de bevrijding uit de slavernij in Egypte. Er worden platte broden (matzes) gegeten. Het feest begint met Seideravond, waar het verhaal over de uittocht wordt verteld aan de hand van liedjes en symbolen, zoals bittere kruiden, waarvan je tranen in je ogen krijgt.

Eten

Er zijn in de thora ook opdrachten en voorschriften over eten. Je mag niet zomaar alle vissen en vogels eten. En ook niet alle zoogdieren. Alleen de zoogdieren die gespleten hoeven hebben én herkauwen, zijn ‘koosjer’. ‘Koosjer’ betekent geschikt, in orde, oké. Een varken heeft wel gespleten hoeven, maar is geen herkauwer, en is dus niet oké. Daarom mogen joden geen varkensvlees eten.

Verder mag je geen vlees en melk vermengen. Als je vlees hebt op je brood, mag je er dus geen melk bij drinken. En als je vlees eet bij de warme maaltijd, dan neem je geen toetje waar iets van melk in zit: dus geen yoghurt, vla of slagroom. Ook in de keuken moet je melk en vlees gescheiden houden. Je gebruikt andere pannen en ander bestek. Terug naar boven...


Islam

De inhoud van de leskist

Ontstaan

De islam is ontstaan in de eerste decennia van de 7e eeuw op het Arabische schiereiland. In de handelssteden Mekka en Medina om precies te zijn. De profeet Mohammed werd ongeveer in het jaar 570 in Mekka geboren. Nog voordat hij geboren werd overleed zijn vader en toen hij zes was overleed ook zijn moeder. De opa die Mohammed daarna opvoedde overleed toen hij acht was. Uiteindelijk werd Mohammed opgevoed door een oom. Deze oom nam de kleine Mohammed mee op handelsreizen. In Syrië ontmoetten ze een monnik, die Mohammed voor het eerst in aanraking bracht met verhalen over profeten als Arbraham, Mozes en Jezus. In zijn latere leven kreeg Mohammed openbaringen van Allah, die de basis vormen voor de koran en de islam.

Geloof

Moslims geloven in Allah, engelen, de heilige boeken, de profeten, het laatste oordeel en dat alles door Allah is voorbestemd. Allah vormt de basis van het geloof, want Hij is de schepper van alles. Ook de mens is door Allah geschapen, met als doel om Hem te leren kennen en te aanbidden. Allah heeft altijd bestaan en zal ook altijd bestaan en er is geen andere god dan Allah. Hij heeft de beste eigenschappen en kan alles. Allah heeft engelen geschapen om belangrijke taken te verrichten. De engel Djibriel (Gabriël) bijvoorbeeld, is de leraar van de profeten. Hij heeft gedurende 23 jaar steeds stukjes van de koran geopenbaard aan de profeet Mohammed. Allah heeft verschillende boeken gestuurd om de mensen over Hem en het geloof te leren. Hij heeft de thora geopenbaard aan Mozes, de psalmen aan David en de evangeliën aan Jezus. Deze boeken zijn volgens moslims door de eeuwen heen door mensen veranderd. Daarom is de koran het enige boek dat nog precies Allahs woorden bevat. Allah heeft vele profeten gestuurd om mensen iets te leren over de godsdienst, zoals Noeh (Noach), Ibrahiem (Abraham), Moesa (Mozes) en Isa (Jezus). De laatste en belangrijkste profeet is Mohammed. Hij bracht de mensen geloof in de laatste dag bij, dat betekent dat iedereen aan het einde der tijden wordt beoordeeld op zijn goede en slechte daden. Geloof in de voorbestemming houdt in dat alles wat er gebeurt door Allah is bepaald. Zowel de goede als de slechte dingen horen bij een plan dat Allah heeft gemaakt, voordat alles bestond. Alles gebeurd volgens Zijn plan.

Mohammed als stichter

Mohammed werd handelsreiziger en zijn reizen werden een groot succes. De rijke weduwe Gadiedja werd verliefd op Mohammed en vroeg hem ten huwelijk. Mohammed stemde hiermee in, ze trouwden en kregen samen zes kinderen. Als gezin leefden ze gelukkig samen, maar Mohammed maakte zich zorgen over de manier waarop de mensen in Mekka leefden. Het leek erop dat ze alleen maar oog hadden voor geld verdienen en plezier maken. Niemand bekommerde zich om de arme mensen. Wat Mohammed ook heel erg dwars zat was dat de rijke en machtige mensen meenden dat ze rijk en machtig waren omdat God dat zo wilde.

Mohammed ging vaak in zijn eentje naar de bergen net buiten de stad om daar in alle stilte te bidden en na te denken over God en het leven. In die grot kreeg Mohammed bezoek van de engel Djibriel, die hem de opdracht ga om alle mensen te vertellen over de grootheid en goedheid van Allah. In het begin waren er maar weinig mensen die interesse toonden in de boodschap van Mohammed, maar hij gaf niet op. Op den duur begonnen Mohammeds preken door te dringen tot de bevolking. De leiders van Mekka begonnen zich zorgen te maken over hun macht en handel. Zij wilden Mohammed doden, maar hij wist op tijd te vluchten naar Medina. In Medina konden de moslims in alle vrijheid hun geloof beleven. Er was voor de moslims dus echt een nieuwe tijd aangebroken. Daarom werden vanaf toen alle jaren berekend vanaf Mohammeds vlucht van Mekka naar Medina.

Samenkomst

Moslims kunnen in principe op alle (schone) plekken bidden, maar toch gaan ze daarvoor graag naar een moskee. Vooral op vrijdagmiddag gaan veel moslims naar de moskee. In veel moslim landen is vrijdag een vrije dag. Het gebed wordt dan geleid door een imam. Hij is de voorganger in het gebed en weet veel over de islam en de koran. Op vrijdag houdt de imam gewoonlijk een preek waarin hij uitlegt wat de islam te zeggen heeft over een bepaald onderwerp of gebeurtenis. Voor moslims is de moskee een echte plek van ontmoeting. Vaak hoort bij de moskee ook een winkel, theeruimte en een koranschool, waar kinderen de koran leren lezen.  Het woord ‘moskee’ betekent ‘plaats om te knielen’. Er zijn geen banken of stoelen. Mannen en vrouwen zitten apart, omdat tijdens het bidden alle aandacht naar Allah gaan en niet naar elkaar. De moskee is ook de plek waar de grote islamitische feesten worden gevierd zoals het suikerfeest en het offerfeest. Omdat de islam verspreid is over de hele wereld, zijn er ook moskeeën in allerlei vormen. Veel  moskeeën hebben een koepel en een minaret (toren) waar vanaf de gelovigen worden opgeroepen om te komen bidden. In een moskee is er ook altijd een nis die de richting naar Mekka aangeeft. Dit is de heilige stad waar Mohammed heeft geleefd.

Dood

Moslims begraven hun doden liefst kort (binnen 24 uur) na het overlijden, omdat de ziel zo snel kan terugkeren naar zijn herkomst bij Allah. Voor de begrafenis wordt het lichaam van een overleden moslim drie maal gewassen, zodat de overledene rein en zuiver voor Allah kan verschijnen. De imam leest stukken uit de koran. Daarna wordt het lichaam zonder kleding in een doek gewikkeld. In de dood is iedereen gelijk, voor Allah is er geen onderscheid tussen rijk en arm. De dode wordt met het gezicht in de richting van Mekka gelegd, dezelfde richting waarin moslims bidden. Moslims geloven dat er een dag komt, waarop alles vernietigd zal worden en iedereen die dan leeft dood zal gaan. Daarna zal iedereen die ooit geleefd heeft weer tot leven worden gewekt (ze worden daarom niet gecremeerd) en worden beoordeeld voor zijn goede en slechte daden. Twee engelen zullen de overledene ondervragen en dan wordt er bepaald of iemand naar het paradijs of naar de hel gaat.

Rituelen, symbolen en gebruiken

Door het uitspreken van de sjahadah (geloofsbelijdenis) getuigt een moslim van de belangrijkste kern van zijn geloof: Ik getuig dat er geen andere god is dan Allah en dat Mohammed zijn boodschapper is. Hiermee geeft hij aan dat hij Allah wil gehoorzamen op de manier die Mohammed heeft voorgedaan. Het is een gebruik om de sjahadah in het oor van een pas geboren baby en iemand op zijn sterfbed te fluisteren, zodat het de eerste en laatste woorden zijn die hij hoort.

Moslims geloven dat Allah je slechte daden (zonden) vergeeft door het gebed (salaat). Vijf keer per dag wordt er gebeden: in de ochtend, middag, namiddag, avond en nacht. Voordat moslims gaan bidden moeten ze rein zijn. Dit betekent dat minimaal drie keer achter elkaar, handen, mond, neus, gezicht, armen, oren, haar en voeten worden gewassen. Daarnaast betekent rein zijn ook dat je het gebed met de juiste bedoeling doet, dat wil zeggen dat je probeert alles om je heen te vergeten omdat je het gebed voor de ‘allerhoogste’ (Allah) gaat doen.

Om in het paradijs te komen is het niet alleen belangrijk om het goede geloof te hebben en te bidden. In de koran wordt het betalen van de armenbelasting (zakaat) altijd in één adem genoemd met het gebed. Iedereen die genoeg geld heeft om van te leven en die ieder jaar ook nog wat over heeft moet daarvan 2,5 % armenbelasting betalen.

Vasten tijdens de maand Ramadan betekent dat er van zonsopgang tot zonsondergang ondermeer niet gegeten en gedronken mag worden. Vasten brengt je dichter bij Allah omdat je je dan beter kunt concentreren op je gebed en geloof. Door te vasten leren mensen de waarde van hun voedsel (en zijn schepper Allah) beter kennen en zijn ze solidair met de armen.

Op bedevaart gaan naar Mekka, is ook een verplichting voor alle moslims, die zich dat financieel en fysiek kunnen veroorloven.

Feesten

Ieder jaar vieren de moslims het offerfeest. Ze denken dan aan Ibrahim, die alles wilde doen voor Allah. Net als Ibrahim offeren ze een schaap. Het offerfeest is een groot feest, waarvoor de moslims liefst nieuwe schone kleren aantrekken. De mannen en jongens bezoeken de moskee, de vrouwen en meisjes verzorgen een uitgebreide maaltijd met veel lekker eten. Bij het offerfeest hoor je ook iets te geven aan de armen. Zorgen voor mensen, die geen geld hebben om feest te vieren. Of zorgen voor de zieken. Zo kun je ook gehoorzaam zijn aan Allah: door niet alleen aan jezelf te denken.

Het id-oel-fitr (ook wel suikerfeest genoemd) is het feest waarop het einde van de maand ramadan gevierd wordt. Het Arabische id-oel-fitr betekent "feestdag ter gelegenheid van het breken (van het vasten)". Het is een blij feest na de zware tijd van het vasten. Het is één van de drukste dagen in de moskee, waar iedereen in zijn nette kleren heen gaat. Tijdens deze bijeenkomst wordt nog een keer een bijdrage gevraagd voor de armen. Na het bezoek aan de moskee worden er thuis met het hele gezin allerlei lekkere, vaak zoete, hapjes gegeten. Daarna is het tijd voor familiebezoek.

Eten

Ondanks het feit dat Allah de Schepper is van alles, mogen moslims niet zo maar alles eten. Varkensvlees en alcohol zijn bijvoorbeeld verboden. Allah dankbaar zijn voor het voedsel is heel belangrijk, ook bij de regels voor het slachten, die er voor zorgen dat het vlees ‘halal’ is:

De slager moet zorgen voor het welzijn van het dier.

Voordat een dier geslacht wordt, spreekt de slager de woorden ‘bismillah, Allahoe akbar’ (in naam van Allah, Allah is groot) uit, waarmee hij zijn dankbaarheid en respect uit voor Allah.

In één beweging worden de halsslagader, de luchtpijp en de zenuwbanen naar de hersenen doorgesneden. Hierdoor verliest het dier het bewustzijn en stopt het hart met kloppen.

Het dier moet in goede omstandigheden gefokt worden, de kwaliteit van het voedsel en het onderdak moeten goed zijn, en het moet niet over lange afstanden vervoerd worden. Dierenwelzijn is een belangrijke verantwoordelijkheid die Allah aan de mens heeft gegeven. Terug naar boven...


Christendom

De inhoud van de leskist

Ontstaan

Het christendom is ongeveer 2000 jaar geleden ontstaan in het land Israël. Christenen zijn volgelingen van Jezus van Nazareth, die na zijn dood de titel Christus (= gezalfde van God of Messias) kreeg. Het christendom verspreidde zich snel over het Romeinse Rijk. Men schat dat er nu ruim twee miljard christenen zijn. Ze horen bij verschillende kerken. In Nederland horen de meeste christenen bij de rooms-katholieke kerk of bij de protestantse kerk.

Geloof

Christenen geloven in één God. God is de Schepper van hemel en aarde. God heeft de wereld mooi en goed geschapen, en wil als een goede Vader voor de mensen zorgen. Maar de mensen maakten er een zootje van. Om hen te redden heeft God zijn enige Zoon naar de wereld gestuurd. Zo werd Jezus als kind geboren uit de maagd Maria. Toen hij volwassen was, trok hij rond door zijn land, en preekte over het Koninkrijk van God. Dat Koninkrijk van vrede en gerechtigheid begint nu, zei Jezus, als wij doen wat God wil. Jezus kreeg veel volgelingen, vooral na zijn dood. De christenen geloven dat Jezus is opgestaan (verrezen) uit de dood en dat Hij leeft bij God. Zij noemen Hem de ‘Christus’. Dat betekent: de Verlosser, de Zoon van God.  Na zijn dood heeft Jezus zijn volgelingen een Helper gestuurd: de Heilige Geest. Overal waar vrede wordt gesticht, waar gerechtigheid is, waar vriendschap en liefde heerst: daar is de Heilige Geest. Christenen geloven dus in één God. Maar die ene God laat zich op drie manieren kennen: als Vader, als Zoon en als Heilige Geest.

De Bijbel

De Bijbel, het heilige boek van de christenen, bestaat uit twee delen. Het eerste deel is het heilige boek van de joden, de tenach. Het bevat de verhalen over Mozes en de uittocht uit Egypte, allerlei regels en wetten, verhalen over de koningen en de profeten, en ook gedichten en wijze spreuken. De christenen noemen dit eerste deel van hun bijbel ‘Het Oude Testament’.

Vanaf ongeveer het jaar 55, dus zo’n 25 jaar na Jezus’ dood, begonnen de volgelingen van Jezus hun herinneringen aan hem op te schrijven. Verschillende herinneringen zijn uitgekozen en bij elkaar gezet. Dat boek staat nu bekend als het Nieuwe Testament. Het is het tweede deel van de Bijbel. Hierin staan de verhalen over Jezus (Evangelie), de brieven van Paulus en de vreemde droom van Johannes over het einde van de wereld (Apocalyps).

Een kerk, twee kerken, véél kerken…

In het jaar 1054 zijn de christenen het niet eens over de vraag wie de leiding moet hebben over de kerk. Door die ruzie wordt de kerk in tweeën gesplitst. In West-Europa ontstond de Katholieke Kerk, met aan het hoofd de paus in Rome. In Oost-Europa de Orthodoxe Kerk. Hun hoofdstad werd Constantinopel (het huidig Istanbul in Turkije). De paus in Rome kreeg veel macht, en gebruikte die macht niet altijd even goed. In 1517 protesteerde de monnik Maarten Luther daartegen. De christenen kunnen zelf wel bepalen wat ze geloven, meende hij. Ze hoeven de bisschop van Rome niet te gehoorzamen. Dat werd de tweede grote splijting, die tussen de Protestantse Kerken en de Rooms-katholieke Kerk.

Samenkomst

Als christenen in een kerk bij elkaar komen, is dat meestal op zondag, of op de avond daarvoor. In landen waar het christendom verboden is, komen ze stiekem bij elkaar in een gewoon huis. De kerken herken je aan het kruis dat erop staat. Binnen staan het altaar en de preekstoel (een soort lezenaar). Verder hangt er een kruis, er is een orgel en er staan er veel stoelen of banken.

In ons land zijn er vooral katholieke en protestantse kerken. De katholieke kerken zijn meer versierd. Je ziet er schilderijen of kleurige ramen met afbeeldingen uit de bijbel, en beelden van heilige mensen, waarbij je soms een kaarsje kan aansteken. De bijeenkomst in de kerk wordt meestal geleid door een dominee of priester. Er wordt voorgelezen uit het heilige boek, de bijbel, er wordt gepreekt, gezongen en gebeden.

Een groep christenen die regelmatig bij elkaar komt wordt een gemeente (protestants) of parochie (katholiek) genoemd. In een gemeente of parochie zijn vrijwilligers die een taak vervullen, zoals zieke en eenzame mensen bezoeken, armen helpen, of les geven. Maar er zijn in Nederland ook veel christenen die ‘niet veel aan het geloof doen’ en alleen met Kerstmis naar de kerk gaan.

Dood

Als een christen dood is gegaan, komt de familie bijeen om elkaar te troosten en de uitvaart te regelen. De dode wordt gewassen en netjes aangekleed. Vrienden en kennissen krijgen de gelegenheid afscheid te nemen. Soms is dat thuis, soms in een speciaal gebouw, een ‘mortuarium’. De dode ligt dan in een kist, met bloemen en kaarsen erbij. Er wordt wat gedronken en gegeten (vaak koffie en cake). Er worden herinneringen opgehaald, er wordt gehuild en soms ook gelachen.

Na 3 tot 6 dagen is de uitvaart. Op de dag van de uitvaart komt de kist met de dode in de kerk te staan. De christenen geloven dat ieder mens van God vandaan komt, en dat hij na zijn dood weer naar God terugkeert. Er worden kaarsen aangestoken, er wordt gezongen en uit de bijbel gelezen en er wordt voor de dode gebeden. Men bidt dat God barmhartig is, de zonden (de fouten) van de dode vergeeft, en hem zal opnemen in de hemel. Daarna gaat men naar de begraafplaats of naar het crematorium. Vroeger had men een voorkeur voor begraven, omdat men gelooft dat de doden weer uit hun graf zullen opstaan op de laatste dag van de wereld. Dat is de dag dat Jezus weer terug zal komen op aarde om te oordelen over de levenden en de doden. Tegenwoordig laten veel christenen zich cremeren, omdat ze de opstanding uit de doden niet meer letterlijk nemen.

Rituelen, symbolen en gebruiken

Het belangrijkste symbool van het christendom is het kruis. In de bijbel wordt verteld dat Jezus door de Romeinen is gearresteerd, gemarteld en aan een kruis is gehangen om te sterven. Het kruis is dus een teken van de dood. Maar omdat de christenen geloven dat Jezus door God weer is opgewekt uit de dood, is het kruis juist een teken geworden van hoop en vertrouwen. Ze geloven dat de dood niet het ergste is, want het is niet het einde: ze geloven in een leven na de dood.

Tegenwoordig zie je achter op een auto soms het teken van het visje. Dat is een heel oud en geheimzinnig symbool, waaraan christenen elkaar konden herkennen. Het is de eerste letter van de naam Christus, in het Grieks.  In het Grieks is vis ‘Ichtus’, wat ook op ‘Christus’ lijkt. 

Als iemand christen wil worden, wordt hij gedoopt. Veel ouders laten hun kinderen dopen als ze nog klein zijn. Maar ook volwassenen kunnen gedoopt worden. Terwijl de dominee of priester water over het hoofd giet, zegt hij “Ik doop je in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.” Dan ben je christen.

Het belangrijkste ritueel van het christendom is het plechtig delen van brood en wijn om Jezus te gedenken. De eerste keer dat iemand daar aan meedoet, heet in de katholieke kerk ‘de eerste communie’. De heiligste rituelen worden sacramenten genoemd. In een sacrament, geloven de katholieken, komt God bij de mensen.

Zoals Jezus, die zelf jood was, houden christenen zich aan de Tien Geboden. Jezus heeft deze samengevat in één zin: “Houd van God met heel je hart, je ziel en je verstand, en houd van je naaste zoals van jezelf.” Daardoor wordt naastenliefde, de zorg voor medemensen in nood, als belangrijkste christelijke opdracht gezien.

Feesten

Het belangrijkste feest is Pasen. Dan viert men Jezus’ opstanding uit de dood. De christenen gaan met hun mooiste kleren aan (“op hun paasbest”) naar de kerk. Aan een paasvuur wordt de nieuwe paaskaars aangestoken en de kerk binnengedragen. Ook alle aanwezigen krijgen een kaarsje. Ze gaan staan en beloven om het goede te doen en het slechte na te laten. Dan worden ze besprenkeld met water, en zo als het ware opnieuw gedoopt. Na de kerkdienst wordt er thuis met de familie lekker gegeten. De kinderen mogen paaseieren zoeken, die door de ouders verstopt zijn. Het is een feest van vrolijkheid, lente en nieuw leven. De week voor Pasen is veel serieuzer. Dan worden de laatste dagen van Jezus herdacht: hoe hij op een ezel Jeruzalem binnenkwam (op Palmpasen), zijn laatste maaltijd met zijn leerlingen (op Witte Donderdag), en zijn dood aan het kruis (op Goede Vrijdag).

Kerstmis is het bekendste feest van de christenen. Ze vieren dat Jezus werd geboren in een stal in Bethlehem. Veel christenen gaan dan naar de kerk. Ze versieren hun huizen met een kerstboom en lichtjes. Soms zetten ze ook een stalletje neer met beeldjes van Maria en Jozef en Jezus als pasgeboren kind.

Pinksteren is het derde grote feest. Ze vieren dan de komst van de Heilige Geest, door wie de leerlingen van Jezus dapper en enthousiast werden. Door die Geest begonnen ze te preken over Jezus.

Naast de drie grote feesten zijn er nog een heleboel kleinere feesten. Vooral in de katholieke kerk, waar de verjaardagen (eigenlijk: de sterfdagen) van de heiligen worden gevierd.

Eten

Christenen mogen alles eten, want het kwaad komt niet van buiten, maar van binnen (bijvoorbeeld agressie, egoïsme, haat en jaloezie). De periode van veertig dagen voor Pasen is een bezinningsperiode, bij de katholieken ‘de vasten’ genoemd. Zij eten dan minder – sommigen eten dan geen of minder vlees – en ze denken meer aan anderen. Ze geven dan meer aan goede doelen, bijvoorbeeld aan armen in de derde wereld. En ieder denkt na over zijn eigen leven en gedrag: ‘Doe ik wel de goede dingen? Doe ik wel wat God wil?’

De laatste tijd is er ook onder christenen meer aandacht voor natuur en milieu. Want ze geloven dat ze van God de opdracht hebben gekregen om goed voor de aarde, de planten en dieren te zorgen. Terug naar boven...


Hindoeïsme

De inhoud van de leskist

Ontstaan

Het hindoeïsme is niet ontstaan door een profeet of stichter. Meer dan 4000 jaar geleden hadden de mensen in Noord-India (nu Pakistan), in de enorme vallei waar de rivier de Indus stroomt, verschillende gebruiken, verhalen, oude boeken, en ze geloofden in verschillende goden. Omdat het een bijzonder vruchtbaar gebied was trokken er soms ook andere volken naar toe. De mengelmoes van verhalen, gebruiken en rituelen zijn we later hindoeïsme gaan noemen. Deze oude godsdienst is  genoemd naar de rivier de Indus.  

Hindoes vind je vooral in India. Verder leven er hindoes in onder andere Zuidoost Azië, Zuid-Afrika, Noord Amerika en Engeland. Aan het einde van de 19e eeuw vertrokken hele groepen mensen uit India naar Suriname om daar te werken als arbeiders. Er ontstonden hindoe gemeenschappen en er werden tempels gebouwd. Vanuit Suriname zijn er veel hindoes naar Nederland gegaan, met name na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975. Er leven nu in Nederland zo’n 200.000 hindoes. Men schat dat er bijna 1 miljard hindoes zijn in de wereld.

Geloof

Hindoes geloven in Brahman, dat is een goddelijke kracht die in alle natuurlijke dingen aanwezig is. Omdat Brahman de kern is van alles, verdienen alle mensen, dieren, planten en andere dingen in de natuur eerbied en respect. Brahman is onzichtbaar en je kunt er geen afbeelding van maken. Hindoes kennen wel heel veel verschillende goden. Al deze goden laten een stuk van Brahman zien.

De drie belangrijkste goden zijn:

Brahma (niet te verwarren met Brahman) laat de scheppende kracht van Brahman zien. Brahma is de god die het heelal heeft geschapen. Hij wordt afgebeeld met vier hoofden die naar de vier windrichtingen kijken. Zijn vrouw, Saraswati, is de godin van de kunst en het onderwijs.

Vishnu is de beschermer van het heelal. Hij is de zonnegod die licht en leven geeft. Vaak wordt hij afgebeeld op een adelaar of slapend op een reuzenslang. Zijn vrouw is Lakshmi, de godin van geluk en rijkdom.

Shiva staat voor de vernietigende kracht van Brahman. Shiva laat alles vergaan, zodat het vervolgens weer opnieuw kan beginnen. Shiva is dan ook de god van de wedergeboorte. Hij wordt onder andere afgebeeld als heer van de dans omringd door een vlammencirkel, die de nooit eindigende cirkel van de tijd symboliseert. Zijn vrouw is de godin Parvati. Zij wordt vereerd als vriendelijke en zachte moedergodin.

Heilige boeken

Hindoes hebben heel veel verschillende heilige boeken. Het zijn verzamelingen van gebeden, verhalen en leefregels die steeds zijn doorverteld. De oudste teksten zijn de Veda’s. Deze zijn 3500 jaar geleden verzameld. Met name de Rig Veda (lied van de kennis) is bekend en bestaat uit liederen en regels voor het vereren van de goden. De teksten zijn opgeschreven in het Sanskriet, de heilige taal van India. Deze taal wordt niet gesproken maar nog wel gelezen en gebruikt bij gebeden. De Upanishaden gaan over de relatie tussen een mens en Brahman (de goddelijke kern in ieder mens) . Deze zijn ongeveer 800 jaar voor onze jaartelling opgeschreven. De Bhagavad Gita en de Ramayana worden ook wel heldengedichten genoemd. Het zijn avonturen en liefdesverhalen. Ze zijn ongeveer 2000 jaar oud, maar worden nog vaak gelezen, gespeeld en gedanst, en ook verfilmd.

Samenkomst

Hindoes komen samen in de mandir (tempel). Sommige hindoes gaan daar dagelijks heen om te bidden en offers te brengen aan de goden. Veel hindoes gaan naar de mandir op feestdagen, of voor speciale gelegenheden zoals een huwelijk. Voordat men de mandir ingaat, worden de schoenen uitgedaan. Vaak zet de pandit (priester) een rode stip (tilaka) op het voorhoofd van de mensen als een teken van zegen. De mensen nemen bloemen, fruit of lekkernijen mee om te offeren aan de goden. De pandit legt die offergaven voor de godenbeelden neer om gezegend te worden. Aan het einde van een gebedsdienst worden de offergaven verdeeld onder de gelovigen en worden ze samen opgegeten. Tijdens de gebedsdienst wordt er gebeden en gezongen en voert de pandit rituelen uit. Veel mensen hebben thuis ook een altaar met daarop enkele godenbeelden. Hier bidt men ’s ochtends en ’s avonds samen met de gezinsleden (of soms alleen). Voor de beelden worden bijvoorbeeld bloemen, wierook, kaarsen, water en fruit neergezet.

Dood

Hindoes geloven dat mensen een ziel (atman) hebben. Deze atman is een stukje van Brahman (de kern van alle natuurlijke dingen is een stukje van god). Als mensen doodgaan, dan blijft de atman bestaan. Hindoes geloven dat je atman, nadat je bent gestorven, opnieuw geboren wordt in een ander lichaam. Afhankelijk van je goede en slechte daden in je vorige leven, wordt je nieuwe leven moeilijker of makkelijker. Als je bijvoorbeeld altijd heel gemeen bent geweest voor dieren, dan zou je in je nieuwe leven best als een dier geboren kunnen worden. Hindoes worden gecremeerd, omdat ze geloven dat door verbranding van het dode lichaam de atman vrij kan komen. Reïncarnatie (opnieuw geboren worden) klinkt misschien aantrekkelijk, maar hindoes streven ernaar om verlost te worden uit de cirkel van wedergeboorten. Werken aan die verlossing kunnen ze bijvoorbeeld doen door zich in hun leven helemaal over te geven aan het aanbidden van een god, maar ook door het doen van goede daden (en nalaten van slechte daden).

Rituelen, symbolen en gebruiken

Aan het begin van een puja (eredienst) in de mandir (tempel) wordt er een bel geluid, om de gelovigen eraan te herinneren dat ze zich moeten concentreren op de puja en alle verkeerde gedachten moeten verdrijven. Het bellen schudt ook de goden als het ware wakker uit hun slaap. Meestal wordt er wierook gebrand bij een puja. De zoete geur herinnert aan Brahmans aanwezigheid. Iedereen ruikt dezelfde geur en zo ervaart men de eenheid van Brahmans aanwezigheid. Met brandende wierook wordt er rond de beelden gezwaaid en vervolgens wordt de wierook in een wierookhouder aan de voet van het beeld gezet. Hindoes maken graag gebruik van vuur bij een puja. In een vuurbak wordt het vuur ontstoken en onder het opzeggen van gebeden (mantra`s) worden ondermeer verschillende kruiden, zaden en rijst geofferd. Het vuur zorgt voor het overbrengen van de gaven aan de verschillende goden. Het is een soort van doorgeefluik. Tijdens de puja worden er offergaven zoals fruit, zoetigheden en water bij de godenbeelden gezet. Deze worden gezegend en na de dienst gezamenlijk opgegeten. Ook worden de godenbeelden vaak gewassen met water of melk.

Het Ohm-teken wordt vaak gebruikt als symbool voor het hindoeïsme. Ohm is een lettergreep van een hele oude taal uit India. Deze taal werkt niet met een alfabet van losse letters, maar heeft een alfabet van lettergrepen. De lettergreep ‘ohm’ heeft een hele speciale betekenis gekregen. Ohm wordt gebruikt als een soort gebed om de goddelijke kracht in jezelf (brahman = atman) te voelen. De klank van ‘ohm’, als je hem goed opzegt, beweegt zich door je lichaam. Het begint met een 'A' die komt uit je mond en keel. Dan de 'U' (uitgesproken als OE) gaat door je borst en de 'M' klinkt door in je maagstreek.

Om goed te leven en zo een beter volgend leven te krijgen moet een hindoe ondermeer:

  • Goed zorgen voor alles wat leeft: voor je familie en vrienden, en ook voor de dieren en de natuur. En ook goed voor jezelf zorgen natuurlijk.
  • Tevreden zijn met wat je hebt
  • Vriendelijk en geduldig zijn
  • Goed leren en in alles de waarheid zoeken. Je best doen op school en in je werk.
  • Proberen je geest aan God te geven

Feesten

Het kleurrijke Holifeest markeert het einde van de winter. Op de avond voor Holi worden brandstapels gebouwd om de poppen van de kwade heks Holika te verbranden. De legende vertelt dat Holika haar neef Prahlaad probeerde te doden omdat hij de god Vishnu vereerde, maar daarbij werd de heks zelf gedood. Met het verbranden van Holika wordt symbolisch het kwaad verbrand. Tijdens het holifeest bestrooien de mensen elkaar met gekleurd poeder dat doet denken aan de frisse kleuren van de lente.

Divali is ook bekend als het lichtjesfeest. Mensen plaatsen heel veel lichtjes (diya’s) in en om hun huis. Op deze manier nodigt men de godin Lakshmi uit om het huis te bezoeken en de bewoners te zegenen. Lakshmi is de godin van geluk, voorspoed en rijkdom.

Eten

Uit respect voor dieren (die ook een atman (ziel) hebben) eten Hindoes vaak geen vlees, zodat er voor hun eten geen dier gedood hoeft te worden. Er zijn ook Hindoes die alleen als zij naar de tempel gaan of als er een religieus feest is geen vlees eten. Het vlees van koeien wordt het liefst helemaal niet gegeten. Zeker niet in India, want daar is de koe een heilig dier. De koe is daar van levensbelang: de koe zorgt voor belangrijke levensmiddelen zoals melk, yoghurt en kaas. En de koe geeft ook mest, waardoor het land vruchtbaar blijft en groenten en rijst kunnen groeien. De mest wordt ook als brandstof gebruikt. Terug naar boven...


Boeddhisme

De inhoud van de leskist

Ontstaan

Het boeddhisme is zo’n 500 jaar voor onze jaartelling ontstaan in India. Centraal staat het levensverhaal van prins Siddharta Gautama, de latere Boeddha. Het verhaal over het leven van Boeddha verspreidde zich naar verschillende landen en streken in en rondom India, tot aan China en Japan toe. In het begin werden de verhalen doorverteld. Later werden ze in de taal van het land of de streek opgeschreven. De belangrijkste teksten staan in de Tripitaka. Dit betekent drie manden. Vroeger werd er niet op papier maar op palmbladeren geschreven die in manden werden bewaard. De eerste mand bevat een heleboel regels voor boeddhistische monniken en nonnen. Dit zijn mannen en vrouwen die niet trouwen en een gezin stichten, maar die in een klooster wonen en zich zoveel mogelijk aan alle 227 (strenge) regels willen houden. De tweede mand bevat de boeddhistische leer en de levenslessen van Boeddha. Deze zijn ook bedoeld voor de ‘gewone’ mensen. En de derde mand bevat allerlei verhalen over Boeddha en zijn leerlingen en verdere uitleg van de leer.

Geloof

Lang geleden (tussen 500 en 400 jaar voor onze jaartelling), leefde er in India een prins met de naam Siddharta Gautama. Zijn leven was zó bijzonder dat mensen hem de eretitel ‘Boeddha’ (de Verlichte) gaven. Hij  werd heel beschermd opgevoed binnen de muren van het paleis. Toch kwam hij op enkele uitstapjes in aanraking met armoede, ziekte en de dood. Ook ontmoette hij een heilige, die geen bezittingen had, maar toch gelukkig leek te zijn. Siddharta ging op onderzoek uit naar de raadselen van het leven. Na jaren rondzwerven, nadenken en mediteren kwam hij tot de volgende vier edele waarheden:

   1. In elk leven is er lijden, zoals niet gewaardeerd worden, afscheid nemen, ziekte en dood.

   2. Verlangen is de oorzaak van lijden, zoals verlangen naar rijkdom, vriendschap en eeuwig leven.

   3. Er kan een einde komen aan het lijden, door de baas te worden over je eigen verlangens.

   4. Het achtvoudige pad helpt ons op weg voorbij het lijden naar eeuwig geluk.

Om het achtvoudige pad succesvol te bewandelen in je leven moet je werken aan: 1. Juist inzicht (weten wat belangrijk is), 2. Juiste beslissingen nemen, 3. Juiste woorden gebruiken (de waarheid spreken), 4. Juiste daden doen (goed zorgen voor mens en dier), 5. Juiste levenswijze (een eerlijk beroep uitoefenen),  6. Juiste inspanning (ijverig en niet lui zijn), 7. Juiste aandacht (concentreren), 8. Juiste meditatie (innerlijke rust).

Samenkomst

Veel boeddhisten gaan naar een tempel om te mediteren, te luisteren naar verhalen over Boeddha en gezangen uit de heilige boeken en om iets te offeren aan Boeddha. Offeren betekent iets van jezelf geven en gebeurt bijvoorbeeld door het branden van wierook, het aansteken van een kaarsje, of het neerleggen van bloemen of eten bij een Boeddhabeeld. Boeddhisten geloven dat ze zelf moeten proberen om net zo te leven als Boeddha deed. Veel boeddhisten gaan naar de tempel om Boeddha hierbij om hulp te vragen. Een bezoek aan de tempel met zijn vele Boeddhabeelden betekent ook dat je weer herinnerd wordt aan de wijze levenslessen die Boeddha gegeven heeft. Er zijn ook tempels waar een botje of een tand van Boeddha wordt bewaard. Deze tempels worden Stupa genoemd. Vaak hebben boeddhisten ook thuis een plekje waar een Boeddhabeeld staat waarbij ze kunnen mediteren en offeren.

Het Boeddhabeeld

Er zijn heel veel verschillende beelden: er zijn staande, zittende en liggende Boeddha’s, waarvan de  handen weer allerlei verschillende posities kunnen hebben. Al deze beelden hebben een speciale betekenis. Een paar voorbeelden: een staande Boeddha waarvan de rechterhand omhoog wordt gehouden met de handpalm naar voren betekent een gelukswens (zegen) voor alle gelovigen. Een zittende Boeddha met zijn benen gekruist (lotushouding) en de handen in de schoot wijst op meditatie. Vaak zie je een zittende Boeddha met gekruiste benen die met één hand de aarde aanraakt. Dit heeft te maken met het moment waarop Siddharta het juiste pad naar echt geluk, rust en vrede ontdekte. Hij had zijn ontdekking ook voor zichzelf kunnen houden, maar hij wees met zijn hand naar de aarde die in haar lange geschiedenis al vele andere mensen heeft gezien wiens levensdoel het was om juist andere mensen te helpen. Boeddhisten geloven dan ook dat er vóór deze Boeddha, duizenden andere Boeddha’s op aarde zijn geweest. De Boeddhabeelden vertellen ons dus veel over het leven en de levenslessen van Boeddha.

Dood                                                                                                                                

Boeddhisten geloven in reïncarnatie, dat betekent dat je na je dood opnieuw geboren wordt. Het liefste worden Boeddhisten als mens wedergeboren, omdat je dan opnieuw de kans krijgt om goede dingen te doen, en zo weer dichter bij het geluk komt en minder hoeft te lijden. Blijvend geluk bereik je wanneer je bevrijd wordt van het steeds maar weer opnieuw geboren worden en dood gaan. Dat wordt nirwana genoemd. Boeddhisten geloven in de kracht van ‘karma’, wat inhoudt dat je door goede daden dichter bij en door slechte daden verder van het nirwana wordt wedergeboren. Boeddhisten kiezen bijna altijd voor crematie waardoor de ‘ziel’ het lichaam goed kan verlaten. In het Tibetaans boeddhisme hebben ze een ‘dodenboek’ waarin allerlei rituelen beschreven staan om de ziel op een goede manier te begeleiden uit het lichaam van de overledene naar een goede wedergeboorte. In het Tibetaans boeddhisme gelooft men ook dat je herinneringen kunt hebben aan je vorige leven.

Rituelen, symbolen en gebruiken

Wiekrook, kaarsen en water worden in de tempel, en ook bij rituelen rond het huisaltaar, vaak gebruikt. De wierook staat onder andere symbool voor zuiverheid en wijsheid. De kaars is het symbool van begrip en verlichting. Zoals een kaars licht geeft, zo verspreidt ook een wijs persoon licht. Water wordt uitgegoten over het beeld van Boeddha. Het is een uiting om eer te brengen aan Boeddha. Water staat ook voor ‘hart, liefde en goed doen.’ Zoals water overal naar toe loopt en dingen doordrenkt, zo is het ook met de dingen die je met je hart uit liefde doet.

Het dharma-wiel staat symbool voor de leer (dharma) van Boeddha. Het wordt ook vaak gebruikt om het boeddhisme mee aan te duiden. Boeddha leerde de mensen om tussen twee uitersten steeds de ‘middenweg’ te kiezen, je moet bijvoorbeeld niet lui zijn, maar je ook niet helemaal te pletter werken, maar gewoon ijverig je best doen. Die middenweg wordt ook het achtvoudige pad genoemd. Daarom heeft het wiel dat de Boeddha op de grond tekende bij zijn eerste toespraak ook acht spaken. Iedereen moet echter zelf op pad gaan, niemand kan je de waarheid geven. Je moet het zelf ontdekken.

Boeddhisten moeten zich ondermeer houden aan de volgende leefregels:

  • Niet doden (van mensen of dieren)

  • Niet stelen

  • Niet liegen

  • Geen overspel plegen

  • Geen bedwelmende middelen nemen, zoals alcohol en drugs

Feesten

Het boeddhisme komt voor in heel veel verschillende landen. Daarom zijn er ook veel verschillende feesten. In al die landen worden er op een eigen manier boeddhistische verhalen verteld en rituelen gedaan, bijvoorbeeld bij de geboorte van een kind, een huwelijk of een overlijden. Veel boeddhisten over de hele wereld vieren feest bij de volle maan in de maand Wesak (eind mei / begin juni). Tijdens dat feest worden Boeddha’s geboorte, verlichting en dood herdacht. Bij alle feesten wordt er gedacht aan wat Boeddha de mensen geleerd heeft en is men blij en dankbaar dat Boeddha hen deze wijze lessen heeft gegeven. Tijdens het Wesak-feest gaan veel mensen naar de tempel. Daar worden de Boeddhabeelden mooi versierd met bloemenkransen, er worden offers gebracht en gezongen en gemediteerd over het Achtvoudige Pad. Daarna trekken ze rond langs weeshuizen, bejaardenhuizen en andere liefdadigheidsinstellingen en geven daar geld. Arme mensen krijgen gratis maaltijden die dag. Het is een vrolijk feest. Iedereen versiert zijn huis met bloemen en lantaarns en er wordt samen feestelijk gegeten. De kinderen begroeten hun ouders met bloemen. Vrienden sturen elkaar Wesak-kaarten. De dag wordt afgesloten met optochten door de straten waarin de deelnemers brandende kaarsen meedragen.

Eten

Twee boeddhistische leefregels hebben direct met voeding te maken: niet doden en geen bedwelmende middelen (zoals alcohol en drugs) gebruiken. Veel boeddhisten die zich aan deze regels willen houden zijn daarom vegetariër. Om toch de benodigde eiwitten binnen te krijgen, die ondermeer in vlees zitten, eten boeddhisten veel producten gemaakt van sojabonen, tarwe, champignons en noten. Daarnaast worden er veel groenten gegeten. Vijf groenten mogen echter niet worden gebruikt. Dit zijn groenten van de uienfamilie: knoflook, ui, sjalotten, prei en bieslook. Deze groenten creëren lust en geven een opvliegende gemoedstoestand en een slechte geur wanneer ze rauw worden gegeten. Het bewustzijn wordt hierdoor aangetast en dat is in strijd met de leefregel dat je geen bedwelmende middelen mag gebruiken. Terug naar boven...