Pedagogisch klimaat

Werken aan een positieve groep

 

In het onderwijs hoor je wel vaker opmerkingen als ‘die groep 6 van dit jaar dat is echt een moeilijke groep’ of ‘in die groep 7 daar zijn ze zó lief voor elkaar’. Op veel scholen is er duidelijk aandacht voor het samen leren en samen werken, en ook wel voor het ‘samen leven’. Toch blijft het soms moeilijk om als leerkracht goed zicht te krijgen op hoe alle sociale processen binnen de klas als geheel verlopen. Daarbij komt dat je als leerkracht van je klas natuurlijk het liefst een positieve leuke groep zou willen maken. Soms is dat best moeilijk. Daarom volgen hier enkele suggesties.

 

Allereerst is het belangrijk om zelf doordrongen te zijn van het belang dat groepen spelen in de vervulling van behoeften van kinderen. We kennen de behoeftepiramide van Maslow, waar aan de basis de eerste levensbehoeften als eten, drinken, kleding, onderdak en veiligheid staan. Dan komen behoeften als sociale acceptatie, erbij horen, respect, waardering en vriendschap. Helemaal bovenin de piramide komt de behoefte aan zelfrealisatie, de ontwikkeling van eigen talenten.  Leren gaat het beste wanneer leerlingen zich in de bovenste laag van de piramide bevinden. Ook in de beschrijving van basisbehoeften binnen het adaptief onderwijs komt het belang van de groep terug: kinderen hebben behoefte aan een gevoel van competentie (geloof en plezier in eigen kunnen) en autonomie (iets kunnen zonder de hulp van anderen; zelf mogen beslissen), maar ook aan relatie: het gevoel dat anderen je waarderen en met je willen omgaan. Het is dus zaak om te investeren in een groep waarin kinderen elkaar ook willen waarderen en positief met elkaar willen omgaan.

 

Om te werken aan een positieve groep is het vervolgens van belang om zicht te hebben op het functioneren van de groep. Dat betekent meer dan het gevoel dat een groep een ‘rotgroep’ of een groep ‘engeltjes’ is. Als leerkracht kan je bijvoorbeeld heel specifiek letten op:

 

Om te investeren in een positieve groep moet je iets weten over de verschillende fases in het groepsvormingsproces, dat zich voor het overgrote deel aan het begin van het schooljaar afspeelt. In dit proces kijken leerlingen eerst wat voor vlees ze in de kuip hebben, dan gaan ze posities zoeken, worden er normen vastgesteld en dan is de groep min of meer gevormd om te gaan functioneren. Als de groep eenmaal ‘gevormd’ is, is het moeilijk voor de leerkracht om een negatieve sfeer te veranderen. Hoe sterker negatieve normen zijn geïnternaliseerd binnen de groep, hoe moeilijker het is om positieve normen van buiten de groep in te brengen. Als de groep aan het begin van het schooljaar nog gevormd moet worden, heeft de leerkracht een grote kans om negatief gedrag te voorkomen. Dan kan de leerkracht optimaal investeren in het ontstaan van een positieve groep.

 

Het is belangrijk om tijdens de eerste fasen van het groepsvormingsproces (eerste zes tot acht weken), te investeren in positieve groepsnormen. Het is niet de bedoeling dat de leerkracht allerlei normen over de groep uitstort. De groep zelf zal positieve normen moeten benoemen om een succesvolle implementatie te krijgen. De groep moet de ruimte krijgen om zich uit te spreken, waarna de leden van de groep de normen in zich op zullen nemen, want ze bieden veiligheid. Ook leiders met een negatieve neiging zullen zich gedragen naar duidelijk uitgesproken wensen van de groep. Zij hebben immers volgers nodig om leider te kunnen zijn.

 

De leerkracht kan in de eerste weken van het schooljaar situaties creëren waarin de groep normen kan benoemen. Dit kan gebeuren door het inlassen van speciale groepsvormende lessen en activiteiten. De taak van de leerkracht daarbij is op een natuurlijke wijze sturing geven aan de groep bij het formuleren van positieve normen. Vooral het leiden van het evaluatiegesprek over een oefening waarin een bepaalde norm centraal stond, is een belangrijk ‘sturingsmechanisme’. In dit gesprek is ruimte voor kinderen om hun eigen ervaringen te benoemen. De leerkracht moet goed afwegen wie wanneer aan de beurt komt, opletten wat er gezegd wordt en vooral opletten of een uitspraak herhaald moet worden, om de leerlingen duidelijk te maken dat de normen (en afspraken en regels) uit de groep zelf komen.

 

Neem voor meer suggesties contact op met uw identiteitsbegeleider

 

Terug